Oude patronen en nieuwe bospaadjes
Heeft u dat ook? Dat u bepaalde dingen telkens op dezelfde manier doet zonder daar nog echt over na te denken? Van eenvoudige alledaagse dingen als ontbijten, koffie zetten of de auto wassen, tot ingewikkeldere activiteiten zoals fietsen of op een verjaardagsfeestje zijn waar u bijna niemand kent. Het gaat als vanzelf, automatisch.
Ik vergelijk dat vaak met bospaadjes. Er zijn vele voetstappen op het pad gezet. Daardoor ontstaat een uitgesleten pad. Naast het pad lopen kost moeite, aandacht en energie. Daardoor blijven we als vanzelf het bestaande pad volgen, elke keer opnieuw.
Toch zien we soms nieuw paadjes ontstaan. Bijvoorbeeld wanneer mensen een hoek schuin afsnijden. Ooit is iemand daar begonnen. Daarna volgen anderen. Langzaam maar zeker ontstaat er een nieuw pad. Dat kost tijd, moeite en vele nieuwe voetstappen.
Hoe patronen ontstaan
Onze gedachten- en gedragspatronen werken eigenlijk precies zo. We zijn er niet mee geboren; ze zijn ontstaan. Langzaam maar zeker. Gedrag herhalen we vaker wanneer we merken dat het werkt, of wanneer we denken dat het werkt. Ook ideeën en overtuigingen ontstaan op die manier. Iedere keer dat we bevestiging krijgen over wat we denken, wordt die overtuiging sterker.
Vervolgens gaan we in de wereld zoeken naar bevestiging voor wat we denken dat waar is. alles wat via onze zintuigen binnenkomt, filteren we op basis van wat we al geloven. We vullen ontbrekende stukjes automatisch in met onze ideeën en overtuigingen. Zo ontstaat een wereldbeeld dat voor ons logisch voelt.
Waarom we blijven doen wat niet handig is
De grote vraag is alleen: klopt het eigenlijk wat we denken? En bereiken we met ons gedrag ook echt wat we willen?
Een herkenbaar voorbeeld is een spreekbeurt houden of een presentatie geven. Gedachten die dan kunnen opkomen zijn bijvoorbeeld: “ze lachen me uit“, of ‘ik kom niet uit mijn woorden en het mislukt’. Zulke gedachten geven vaak een rotgevoel. De meeste eenvoudige manier om dat gevoel te vermijden, is zorgen dat we geen presentatie of spreekbeurt hoeven te doen. We verzinnen allerlei manieren om er onderuit te komen.
Als dat lukt, voelt dat op korte termijn prettig. Het nare gevoel verdwijnt immers. Maar op langere termijn werkt het tegen ons. We leren niet presenteren en het idee dat we het niet kunnen of dat anderen ons uitlachen blijft bestaan. Sterker nog: doordat het vermijden tijdelijk oplucht, gaan we het de volgende keer opnieuw doen. Zo ontstaan en versterken gedachten- en gedragspatronen zich.
Veranderen is lastig – en dat is logisch
Wanneer we merken dat bepaalde patronen ons in de weg zitten, willen we die soms veranderen. Dan merken we al snel hoe lastig dat is. Denk aan het bospaadje. Door een bos lopen waar nog geen pad ligt kost energie. Soms moeten we door struikgewas lopen of weten we even niet goed waar we zijn.
Dat geldt ook voor het veranderen van gedachten en gedrag. De eerste keer een presentatie geven is nieuw, onbekend en spannend. Wanneer we het toch doen en na elke keer leren hoe het beter kan, wordt het langzaam minder eng. na verloop van tijd denken we misschien zelfs: “Hoe kon ik hier ooit zo bang voor zijn? Het is eigenlijk best leuk.”
Dan begint het nieuwe patroon zich in te slijten. Er ontstaat een nieuw paadje.
Maar let op, het oude pad is er ook nog. En als de presentatie een keer wat minder gaat, dan komen de oude gedachten en gevoelens weer gemakkelijk naar boven. Het vergt vele herhalingen voordat het nieuwe patroon dieper is ingesleten dan het oude patroon.
Wat kan je zelf doen?
Wees eerlijk naar jezelf en stel vast waar je telkens tegenaan loopt. Welke gedachten horen daar bij? Gebruik daarbij pen en papier! Veel mensen proberen dit alleen in het hoofd te doen. Vaak merken ze dan dat het juist drukker wordt in hun hoofd. Er ontstaat chaos, gepieker en verwarring, zonder dat ze echt verder komen.
Pak daarom pen en papier en schrijft op:
1. Wat de situatie was, zoals een buitenstaander die zou beschrijven;
2. Welke gevoelens daarbij opkwamen;
3. Wat je deed in die situatie, welke gedrag;
4. Welke gedachte er was vlak vóór het gevoel aanwezig was;
5. Onderzoek vervolgens die gedachte:
– Klopt deze gedachte?
– Hoe weet je dat?
– Welk bewijs heb je er voor?
– Is er ook bewijs dat juist aantoont dat de gedachten misschien niet klopt?
– Zijn er alternatieve verklaringen mogelijk?
Wanner de gedachte bijvoorbeeld een verklaring is voor het gedrag van iemand anders, probeer dan eens meerdere verklaringen te bedenken. Die zijn er eigenlijk altijd.
Wanneer je denkt dat er iets ergs gaat gebeuren, sta dan stil bij de kans dát het daadwerkelijk gebeurt. Hoe groot is die kans eigenlijk? Wat zou er allemaal moeten gebeuren voordat het werkelijkheid wordt? En, als het dan toch gebeurt, wat zou je kunnen doen om de gevolgen kleiner te maken?
6. Kijk vervolgens naar je gedrag (stap 3):
– Wat was het doel van dat gedrag?
– Heeft het ook gewerkt?
– Waren er ook gevolgen die je juist niet wilde?
– Zou je de volgende keer iets anders kunnen doen?
– Hoe zouden andere mensen hier mee omgaan?
– Wat zou passend of helpend gedrag kunnen zijn?
– En wat zijn de gevolgen van jouw gedrag op langere termijn? Is dat wat je wilt?
Patronen veranderen begint met bewust kijken
Door op deze manier stil te staan bij gedachten, gevoelens en gedrag, kunnen patronen zichtbaar worden.
En wat zichtbaar wordt, kan uiteindelijk ook veranderen.
© Sjaak Weel