Wanneer naastenliefde jezelf verliezen wordt

Over een gebod dat bevrijdt – maar ook kan verstikken.

Voor veel christenen vormt naastenliefde het hart van hun leven. Het verlangen er te zijn voor de ander, om te dienen, om lief te hebben – het zit diep. In het Evangelie volgens Matteüs zijn de eerste twee geboden de belangrijkst. Matteüs 22: 37-39 Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf. 

Heb uw naaste lief als uzelf. Een zin die velen kennen. Misschien zelf zó goed kennen, dat we er deels overheen lezen.

Wanneer liefde uit balans raakt

In een recent artikel van Thabita van Krimpen in het Nederlands Dagblad van 25 april 2026 “Waarom het grenzeloze gebod tot naastenliefde kan omslaan in manipulatie en zelfdestructie.” wordt een scherpe vraag gesteld: wat gebeurt er als dat gebod tot naastenliefde grenzeloos wordt opgevat?

Veel gelovigen herkennen het wel:
– altijd klaarstaan
– de ander voor laten gaan
– de irritatie en boosheid inslikken
– geven, ook als je eigenlijk leeg bent.

Het voelt als toewijding. Als geloof in praktijk brengen. Maar ergens onderweg kan er iets verschuiven. De zorg voor de ander is dan geen vrije keuze meer, maar voelt als een innerlijke plicht. Een plicht die heel zwaar kan worden. Immers, zonder grens is niet duidelijk wanneer je genoeg hebt gedaan voor de ander.

Het vergeten stukje

Opvallend is dat in de praktijk en ook in het artikel van mevrouw Van krimpen vaak één deel van het gebod vergeten lijkt te worden: “als jezelf”. Alsof het er een beetje achteraan bungelt, alsof het minder belangrijk is. Maar, dat is het niet. Het is juist de sleutel tot het begrijpen van het geheel. 

Immers, wie zichzelf structureel vergeet, constant aan zelfopoffering doet, kan de ander uiteindelijk niet meer vanuit liefde dienen. Er is dan uitputting, angst of schuld. En dat is mijns inziens niet waar dit gebod toe oproept. Immers, ook Jezus trok zich regelmatig terug om tot de Vader te bidden. Ik lees dan ook, “om tot Zichzelf te komen, af te stemmen, de stilte te zoeken.”

Tussen toewijding en zelfopoffering

In het christelijk leven wordt zelfverloochening soms gezien als iets goeds. En ergens klopt dat ook wel: het gaat niet alleen om jezelf.

Maar zelfverloochening is iets anders dan jezelf verliezen. Waar gezonde toewijding ruimte laat voor wederkerigheid en rust, leidt ongezonde zelfopoffering vaak tot dingen als:

  • Negeren van eigen grenzen;
  • Onderdrukken van gevoelens;
  • Het voortdurend aanpassen aan de ander.

En uiteindelijk tot twijfel, vermoeidheid, afstand, innerlijke leegte.

Oude patronen, nieuwe gevolgen

Wat hier meespeelt, gaat dieper dan alleen een minder handige interpretatie van een bijbeltekst. Het is een patroon die misschien al van jongs af aan is aangeleerd – ik ben (pas) van waarde als ik iets voor anderen beteken.

Misschien herken je gedachten als:

  • Ik moet er zijn voor de ander, anders stel ik teleur.
  • Mijn behoeften zijn minder belangrijk.
  • Pas als de ander tevreden is, dan is het goed. 

Het zijn ingesleten patronen, niet zozeer bewuste keuzes. Patronen die het gebod tot naastenliefde onbedoeld vervormen.

Zorg voor jezelf als geestelijke opdracht

Wat als “je naaste liefhebben als jezelf” niet alleen opdracht is richting de ander, maar ook een uitnodiging richting jezelf? Dat het een tweezijdig gebod is.

Niet als iets vrijblijvends, maar als onderdeel van gezond geloof. Voor jezelf zorgen betekent dan:

  • Luisteren wat er in je leeft.
  • Weten wat je wel (aan)kan en wat niet.
  • Grenzen serieus nemen.
  • Erkennen dat je niet alles kan (en dat dat ook niet hoeft)

Dan is het geen gebrek aan geloof, maar juist een vorm van verantwoordelijkheid nemen. 

Anders gezegd: 

Wie goed voor zichzelf zorgt, schept ruimte om de ander lief te hebben zonder zichzelf te verliezen.

Een nieuwe blik op naastenliefde

Misschien vraagt dit om een verschuiving in hoe je kijkt naar liefde en toewijding.

Van “hoe kan ik nóg meer geven”,
naar “ hoe kan ik geven wat er werkelijk is”

Van “hoe voorkom ik tekortschieten”, 
naar “hoe blijf ik eerlijk naar mezelf én de ander”.

Van “altijd geven wat de ander nodig heeft”, 
naar “eerst jezelf afvragen: kan en moet ík dit nu geven?”

Tot slot

Naastenliefde is geen uitputtingsslag. Het is geen opdracht om jezelf langzaam leeg te trekken. Het is bedoeld als iets wat leven geeft, aan de ander én aan jezelf.

Misschien toch wat vaker stilstaan bij die paar woorden die we zo gemakkelijk overslaan:

“ … als jezelf”. 

Wat vul jij in op de vraag wie de belangrijkste mensen zijn in jouw leven?

Het antwoord komt meestal heel snel: mijn kinderen, mijn partner, mijn ouders, mijn familie, mijn vrienden. 

“Mijzelf” komt veelal niet direct in het rijtje voor. Alsof dat niet mag, alsof dat niet hoort. Maar als “mijzelf” niet in het rijtje voorkomt, of pas ergens helemaal onderaan bungelend, wat betekent dat dan voor hoe je leeft? Voor hoe(veel) je geeft? Voor hoe je voor jezelf zorgt?